
Eindelijk, het is vijf uur. Ik sluit mijn computer af, doe mijn agenda in m’n tas, neem het stapeltje enveloppen uit het vakje uitgaande post, pak m’n jas van het haakje en verlaat het kantoor.
“Prettig weekend allemaal”, mompel ik in het voorbijgaan tegen het handjevol collega’s dat nog achter hun pc’s zit te werken.
“Jij ook, Kevin, ga je nog wat bijzonders doen?”
“Hm, niet echt, een beetje relaxen denk ik”.
“Het weer wordt matig, heb ik gehoord, niet te warm, niet te koud, maar gelukkig wel droog”.
“Prima”, zeg ik, “voor mij prima”.
Thuis neem ik een calorierijke maar lichte maaltijd uit de koelkast, zet het in de magnetron en schenk mezelf ondertussen een glas jus in. Nadat ik heb gegeten neem ik een douche, trek de trainingsbroek en t-shirt aan die ik vanochtend al klaar heb gelegd op het bed, schiet m’n Asics aan, bind het vest om m’n middel, doe de polsbandjes en vingerloze handschoenen aan en stap het balkon op.
Het is een heerlijke milde zomeravond, de zon heeft zich de hele dag nauwelijks laten zien. Er staat een zacht en koel briesje. Ideaal, het belooft een geweldige avond te worden. De stad straalt rust uit. Wat ligt ze er mooi bij zo, gezien vanaf de eenentwintigste verdieping. Ik laat mijn ogen onderzoekend over de daken van de gebouwen gaan. Daar, in de verte, zie ik wat beweging. Het is tijd. Ik klim op de rand van het balkon. De balkons van de woontoren zijn per verdieping diagonaal verspringend opgehangen, zodat het balkon van mijn onderbuurman zich niet recht onder mij bevindt, maar een paar meter opzij. Ik zak wat door mijn knieën. Span mijn spieren. Het vertrouwde gevoel stijgt op vanuit mijn tenen, tot het me helemaal vervult. De zon kijkt even om de hoek van een wolk en laat de stad in een vriendelijke gouden gloed baden. Ik adem in. Ik adem uit. Ik spring.
Voor mij begon het allemaal op de lagere school, tijdens de gymlessen. Eens in de zoveel tijd hadden we een vrije keuze les. Steevast werd het apekooi. Apekooi! Alleen de klank van het woord bezorgde me al doodsangsten. Vrije keuze? Voor mij was er geen keuze, ik moest me maar schikken naar de luidruchtige testosteron-orgie van de andere jongens en de schade voor mezelf zoveel mogelijk beperkt proberen te houden. Waar de haantjes als bergkatten de rekken invlogen, door de lucht zweefden, via de touwen weer naar beneden roetsjten en het parcours met het grootste gemak namen, probeerde ik mezelf als een onopvallend muurbloempje achter een toestel te verschuilen. Een van die steenbokken, Robby, leek mij speciaal uit te hebben gekozen als vernederingobject om ten koste van mijn reputatie bij de meisjes in het gevlei te komen. Terwijl ik me vergeefs probeerde via de rekken uit de voeten te maken werd dan mijn sportbroek afgetrokken. Of hij wachtte rustig af tot ik eindelijk mijn slome lijf op de bok had gehesen om me dan met veel poeha alsnog af te tikken. Meestal echter werd ik straal genegeerd, oninteressant als ik was als ongelijke prooi.
Nee, apekooi had voor mij niets met vreugde of vrijheid te maken, maar alles met vernedering, angst en eenzaamheid. Hoe had ik kunnen bevroeden dat de ironie zou bepalen dat nu juist dit fenomeen de rode draad van mijn leven zou worden?
“Hé, Kev, al lekker warmgelopen? Ik zag je afdaling zonet, zag er soepeltjes uit”.
“Dank je, Wu, jij bent ook lekker op tijd. Hoe was je dag?”
“Saai, net als die van jou ongetwijfeld?”
“Kun je wel stellen, ja; zeg, weet jij of Rodney nog komt?”
Terwijl we zo staan te chatten op de daken van de binnenstad voegen zich steeds meer freerunners bij ons groepje. De meesten ken ik goed, van andere parcours in Nederland. Verder zijn er enkele Duitsers, een Belg en een Engelsman. Kan best zijn dat ik die eerder heb gezien, ergens in Europa, maar ik herken ze niet meteen. Eén man valt op. Hij houdt zich wat afzijdig. Ik ken hem niet, volgens mij, hoewel ik het gevoel heb dat ik hem wel ergens van zou moeten kennen. Het is een wat zonderling figuur, groot van postuur en atletisch gebouwd, een verbeten trek om de mond. Vreemd, hoe hij zich opstelt; Freerunning is toch een teamgebeuren, iedereen wordt onvoorwaardelijk geaccepteerd. Egotripperij en solisme zijn eigenlijk not-done. Waarom kijkt hij steeds mijn richting uit? Ik besluit de man voorlopig maar te negeren.
Het is een goed parcours. Niet te moeilijk, maar wel met lekker veel obstakels en hindernissen: muurtjes, schuine daken, schoorstenen, die ik met een monkey-vault of frontflip neem. Het is zo’n heerlijk gevoel om met een groep runners over het dak van de stad te vliegen. Het gevoel van vrijheid, de saamhorigheid, de adrenalinekick. De schoonheid van de bewegingen.
Grenzen zijn er om opgerekt te worden. Als ik steeds een klein stapje zou nemen, zou ik op den duur een berg kunnen verzetten, een zee kunnen verleggen. Ik moet vooruit. Steeds verder. Het maakt niet uit waar naartoe; de weg zelf is waar het om gaat; dat je in beweging bent. Stilstand is het begin van het einde. De wetenschap heeft het aangetoond: alle materie, ook het menselijk lichaam, bestaat in essentie uit bewegende deeltjes: elektronen, protonen, neutronen, die constant apekooi spelen in ons lichaam. Zelfs een steen is in beweging. De gebouwen waar ik op neerkijk, de stad, alles is een en al beweging. Als je het zo bekijkt is alles te bedwingen, elke hindernis te overwinnen; het is gewoon een kwestie van op de juiste manier meebewegen. Je moet het leren zien, je moet je angsten opzij zetten, buiten de bestaande kaders durven denken. Dan is niets onmogelijk en kun je de werkelijkheid buigen.
Ik sta in een lange traditie: Mozes, Boedha, Jezus, Neo, de Yamakasi. Alleen, wat ik doe is niet bovennatuurlijk, er komt geen trucage of magie bij kijken. Wat ik doe is pure topsport. Altijd moet je scherp blijven, berekenen, inschatten, overzicht houden, vooruit denken. Discipline, zelfbeheersing, kennis, inzicht, oefening en geduld; dat is waar het om gaat. Nooit een onbezonnen actie, een ondoordachte beweging, een te gewaagde sprong. Geen overmoed, geen geldingsdrang, geen competitie. Het gaat om het plezier van het doen, de ervaring dat je de perfecte beheersing hebt over jezelf en je omgeving, het gevoel van absolute eenheid.
Ik neem een muurtje via een catleap en schrik: de rand, een gap, dat had ik niet gezien! Ik kan nog net op tijd stoppen en sta als versteend aan de rand; het dak van het belendende pand ligt plotseling zo’n drie meter lager. Terwijl de anderen over een richel langs mijn gezichtsveld voorbij flitsen gaan mijn gedachten onwillekeurig terug naar een zelfde moment in een andere tijd. Ik weet het nog goed, die dag dat we aan het spelen waren op de bouwplaats van het nieuwe streekziekenhuis. Zoals altijd bleef ik achter op de rest. Voor hen was het bouwterrein slechts een spannender versie van apekooi. Ik voelde me ellendig dat ik ze niet bij kon houden, maar had ook geen zin in meewarige blikken. Daarom riep ik niet en raakte zo aardig achterop. Op een bepaald moment hoorde ik hen helemaal niet meer. Ik wist niet waar ik me in het gebouw bevond of welke kant ik op moest. Ik leunde tegen een muur om uit te hijgen. Het onheilspellende zwijgen van het lege ziekenhuis deed me huiveren. Ik nam een vreemde prikkeling waar in mijn onderrug. Plotseling hoorde ik in de verte sirenes. Het kwam dichterbij. Heel dichtbij. Een auto stopte aan de rand van het terrein, ik hoorde deuren klappen, hondengeblaf. Iemand moet de politie hebben gebeld. Waar zijn de anderen? Het zweet parelde op m’n voorhoofd, mijn hart klopte als een bezetene buiten mijn lichaam, ik stond als aan de grond genageld. Wat moest ik doen? Snelle voetstappen. Trippende hondenpoten. Het geluid naderde snel. Ik kwam in beweging, rende als een idioot over de verdieping heen en weer, ging een gang in, het galmende geluid van een heel politiekorps achter me aan. De gang liep dood. Ik stond stil voor een gapend gat waar de trap moest komen, misschien volgende week, misschien morgen, maar nu was `ie er in elk geval nog niet. Drie meter lager lag de betonvloer die mij naar de vrijheid zou leiden. De vloer waarop ik stond begon te golven, de rand kwam omhoog, werd een onoverbrugbare grens; de angst steeg op vanuit mijn tenen, vervulde mijn hele lichaam. Achter mij hoorde ik de vijand naderen, elk moment konden ze de hoek om komen en dan was ik verloren. Het onmogelijke gebeurde: ik sprong. Ik sprong, en ik stortte ter aarde. Het was niet de meest spectaculaire sprong die ik zou maken. Maar het was de eerste, de meest fundamentele. Het kostte me een paar weken gips, een paar maanden revalidatie en een forse uitbrander van de kinderrechter, maar dat hinderde allemaal niet. Er was iets onomkeerbaars gebeurd: ik was de grens overgegaan, ik had mijn angst eronder gekregen, ik had mezelf overwonnen, mijn lot veranderd.
Terwijl ik langzaam weer tot mijn zinnen kom merk ik dat de onbekende runner naast me is komen staan. De manier waarop hij naar me kijkt, die blik in zijn ogen. Ik weet het ineens weer. Dit kan niet waar zijn.
“Robby? Rob Bilderdijk?”
“Inderdaad, en volgens mij ben jij Kevin. Ik dacht het wel. Kev zonder lef, haha!”.
“Ja, leuk hoor, die tijd hebben we toch zeker wel gehad, niet. Wat doe jij hier?”
“Ik heb altijd al van apekooi gehouden, zoals je je vast nog wel kunt herinneren. Maar we zijn nu te oud voor kinderspelletjes hè, daarom moeten we het wat groter aanpakken. Ik heb een tijdje aan bergbeklimmen en abseilen gedaan, later snowboarden, maar dat werd me allemaal te saai, nu probeer ik dit. Ik moet zeggen, het is wel kicken om zonder hulpmiddelen en zonder zekering bezig te zijn. Het gevaar windt me op, het idee dat als je net iets te ver gaat, net even niet oplet, het je dood kan betekenen. Bovendien voel ik me lekker zo, een vleermuis die over de daken van de burgerlijke klasse vliegt. Grappig hè, al die burgermannetjes die nu samen met hun huisvrouwtjes de kinderen op bed aan het leggen zijn en zich afvragen waarom sinterklaas toch elk jaar weer eerder komt. Vindt je ook niet?”
Ik voel een afkeer van deze man in me opborrelen. Het is een mengeling van de herboren haat en angst uit mijn kindertijd en de meer fundamentele walging tegen het soort oppervlakkig nihilisme dat deze man ten toon spreidt. De rest is al ver vooruit, het wordt tijd om weer te gaan.
“Zullen we maar?”
We vliegen weer. Ik merk dat ik hem maar met moeite bij kan houden. Zijn bewegingen zijn niet zo elegant, het is meer Parcour wat hij doet, maar wel krachtig en zelfverzekerd. Ik kan me toch niet op de kop laten zitten door zo’n boer? Ik zal hem laten zien wat ik in huis heb. Laat hij niet denken dat ik nog bang voor hem ben. Ik por mezelf nog wat meer op, en loop weer op hem in. Ik neem het volgende muurtje met een superman frontflip, waardoor ik een armlengte voor kom te liggen.
“Fraai, hoor”, bijt Robby me toe, “jullie Freerunning homo’s behandelen de sport alsof het ballet is. Maar als het erop aankomt, loop ik jullie er allemaal uit”.
Oh, dus dat is het, competitie. Hij voelt zich beter omdat hij een Traceur is. Past ook wel bij hem, die brute kracht, hij gaat volledig voorbij aan het esthetische aspect. En dat niet alleen, hij volgt de code niet, en daardoor verlaagt hij de sport tot het niveau van een ordinaire strijd. Nou, voor deze ene keer kan hij z’n competitie krijgen. Ik weet dat ik genoeg in me heb om hem de loef af te steken. Vanavond zal ik voor eens en voor altijd met mijn verleden afrekenen. Daar komt weer een flinke gap, ik duik naar voren en breek mijn val door een roll te maken. Hij zit me nog steeds op de hielen. We gaan tussen twee muren door, hij loopt tegen de rechter op terwijl ik de linker neem. Als we de grond weer raken botst hij opzettelijk tegen me aan, waardoor ik bijna val.
“Hé homo, je moet wel opletten, blijf op je eigen helft”.
“Doe ik ook, het komt door jouw lompe bewegingen man, je zou nog wat kunnen leren van Foucan”.
“Ik veracht hem, die boeddhistische flikker; wat jullie doen is een slap aftreksel van Parcour, wist je dat de sport is ontstaan tijdens de Vietnamoorlog? Het is een overlevingstactiek, geen dansvoorstelling!”
We naderen de hoek van het blok, de anderen zijn hier naar links afgeslagen.
“Zie je die gap, Kev?”
Nee hè, hij zou toch niet… De straat is vrij smal, het gebouw aan de overkant is iets lager, ongeveer vijf meter ertussen, schat ik, misschien kan ik het halen, maar ik mag het risico niet nemen, te gevaarlijk. Ik heb geen tijd om na te denken. Robby grijnst me van opzij toe, ik mag me niet laten kennen. De rand komt snel dichterbij, nog een paar meter en ik kan niet meer stoppen. Als ik twijfel gaat het mis. Er komt een waas voor mijn ogen, ik kan niet meer denken. Ergens achter in mijn bewustzijn hoor ik iemand roepen: “Kev, nee!”. Het volgende moment staat de tijd stil.
Als ik mijn ogen weer opendoe, sta ik te trillen op de dakrand. Ik voel een hand op mijn schouder. Iemand trekt me naar achter. Het is Wu. De ondergaande zon werpt een rode gloed over de daken. Een vogel doorkruist de lucht. Het is stil in mijn hoofd. Doodstil.
© Pieter M. Tuin – augustus 2008