dinsdag 19 mei 2009

bijzaak

de bijen gaan dood
ze zeiden het op tv
bij bosjes vallen ze uit hun honingraten
niemand weet waarom ze `t leven laten
Einstein's sein op rood

de bijen gaan dood
het zijn loodzware tijden
niemand wil nog imker worden
wat moet er van de wereld worden
zonder honing op je brood?

de bijen gaan dood
`t stond in de krant vandaag
maar voor u in paniek zou raken
totdat Midas Dekkers een kreet zou slaken
zijn we toch niet echt in nood?

de bijen gaan dood
het zal ons niet raken

peTer, mei 2009

dinsdag 27 januari 2009

afscheid

deze lege huls -
ooit, kort geleden, nog
thuis - speelt flarden
als film op wit doek

ik blader nog even
in dit fotoboek
tot ik, kostbaar kleinood,
de sleutel van tot nu

in de hand van een vreemde leg


peTer, januari 2009

zaterdag 8 november 2008

interpretatie

dit boek
deze heilige woorden
die als een ademtocht
door eeuwen tot ons komen

geplukt als rozen
staan ze te verwelken
voor met stof beslagen vensters
van gepleisterde kerken

afgeschoten als kogels
zaaien ze dood en verderf
onder broeders en zusters
kinderen van eenzelfde vader

laten deze woorden weer
zinnen vormen weer
gemeenschap worden
om in te wonen
elkaar opnieuw te vinden

peTer, november 2008

maandag 6 oktober 2008

(zonder titel)

terwijl de avond valt,
het haatvuur smeult,
sluiten wij de gordijnen,
sluiten onszelf in warmte van wij
om te verbergen, bang voor zij;
om te bekijken, van ver,
vanachter gordijnen,
vanachter verdwijnen,
als een damhert
onder rododendron bladeren:
knikkende knieën,
schrikopen ogen,
het geloof verloren,
in angst opnieuw geboren;
als een dief in de nacht,
prooi aan oude macht,
de rust verstoord,
de onschuld vermoord.

peTer - oktober 2008

maandag 22 september 2008

monkey/kong (kort verhaal)

Eindelijk, het is vijf uur. Ik sluit mijn computer af, doe mijn agenda in m’n tas, neem het stapeltje enveloppen uit het vakje uitgaande post, pak m’n jas van het haakje en verlaat het kantoor.
“Prettig weekend allemaal”, mompel ik in het voorbijgaan tegen het handjevol collega’s dat nog achter hun pc’s zit te werken.
“Jij ook, Kevin, ga je nog wat bijzonders doen?”
“Hm, niet echt, een beetje relaxen denk ik”.
“Het weer wordt matig, heb ik gehoord, niet te warm, niet te koud, maar gelukkig wel droog”.
“Prima”, zeg ik, “voor mij prima”.

Thuis neem ik een calorierijke maar lichte maaltijd uit de koelkast, zet het in de magnetron en schenk mezelf ondertussen een glas jus in. Nadat ik heb gegeten neem ik een douche, trek de trainingsbroek en t-shirt aan die ik vanochtend al klaar heb gelegd op het bed, schiet m’n Asics aan, bind het vest om m’n middel, doe de polsbandjes en vingerloze handschoenen aan en stap het balkon op.
Het is een heerlijke milde zomeravond, de zon heeft zich de hele dag nauwelijks laten zien. Er staat een zacht en koel briesje. Ideaal, het belooft een geweldige avond te worden. De stad straalt rust uit. Wat ligt ze er mooi bij zo, gezien vanaf de eenentwintigste verdieping. Ik laat mijn ogen onderzoekend over de daken van de gebouwen gaan. Daar, in de verte, zie ik wat beweging. Het is tijd. Ik klim op de rand van het balkon. De balkons van de woontoren zijn per verdieping diagonaal verspringend opgehangen, zodat het balkon van mijn onderbuurman zich niet recht onder mij bevindt, maar een paar meter opzij. Ik zak wat door mijn knieën. Span mijn spieren. Het vertrouwde gevoel stijgt op vanuit mijn tenen, tot het me helemaal vervult. De zon kijkt even om de hoek van een wolk en laat de stad in een vriendelijke gouden gloed baden. Ik adem in. Ik adem uit. Ik spring.

Voor mij begon het allemaal op de lagere school, tijdens de gymlessen. Eens in de zoveel tijd hadden we een vrije keuze les. Steevast werd het apekooi. Apekooi! Alleen de klank van het woord bezorgde me al doodsangsten. Vrije keuze? Voor mij was er geen keuze, ik moest me maar schikken naar de luidruchtige testosteron-orgie van de andere jongens en de schade voor mezelf zoveel mogelijk beperkt proberen te houden. Waar de haantjes als bergkatten de rekken invlogen, door de lucht zweefden, via de touwen weer naar beneden roetsjten en het parcours met het grootste gemak namen, probeerde ik mezelf als een onopvallend muurbloempje achter een toestel te verschuilen. Een van die steenbokken, Robby, leek mij speciaal uit te hebben gekozen als vernederingobject om ten koste van mijn reputatie bij de meisjes in het gevlei te komen. Terwijl ik me vergeefs probeerde via de rekken uit de voeten te maken werd dan mijn sportbroek afgetrokken. Of hij wachtte rustig af tot ik eindelijk mijn slome lijf op de bok had gehesen om me dan met veel poeha alsnog af te tikken. Meestal echter werd ik straal genegeerd, oninteressant als ik was als ongelijke prooi.
Nee, apekooi had voor mij niets met vreugde of vrijheid te maken, maar alles met vernedering, angst en eenzaamheid. Hoe had ik kunnen bevroeden dat de ironie zou bepalen dat nu juist dit fenomeen de rode draad van mijn leven zou worden?

“Hé, Kev, al lekker warmgelopen? Ik zag je afdaling zonet, zag er soepeltjes uit”.
“Dank je, Wu, jij bent ook lekker op tijd. Hoe was je dag?”
“Saai, net als die van jou ongetwijfeld?”
“Kun je wel stellen, ja; zeg, weet jij of Rodney nog komt?”
Terwijl we zo staan te chatten op de daken van de binnenstad voegen zich steeds meer freerunners bij ons groepje. De meesten ken ik goed, van andere parcours in Nederland. Verder zijn er enkele Duitsers, een Belg en een Engelsman. Kan best zijn dat ik die eerder heb gezien, ergens in Europa, maar ik herken ze niet meteen. Eén man valt op. Hij houdt zich wat afzijdig. Ik ken hem niet, volgens mij, hoewel ik het gevoel heb dat ik hem wel ergens van zou moeten kennen. Het is een wat zonderling figuur, groot van postuur en atletisch gebouwd, een verbeten trek om de mond. Vreemd, hoe hij zich opstelt; Freerunning is toch een teamgebeuren, iedereen wordt onvoorwaardelijk geaccepteerd. Egotripperij en solisme zijn eigenlijk not-done. Waarom kijkt hij steeds mijn richting uit? Ik besluit de man voorlopig maar te negeren.

Het is een goed parcours. Niet te moeilijk, maar wel met lekker veel obstakels en hindernissen: muurtjes, schuine daken, schoorstenen, die ik met een monkey-vault of frontflip neem. Het is zo’n heerlijk gevoel om met een groep runners over het dak van de stad te vliegen. Het gevoel van vrijheid, de saamhorigheid, de adrenalinekick. De schoonheid van de bewegingen.
Grenzen zijn er om opgerekt te worden. Als ik steeds een klein stapje zou nemen, zou ik op den duur een berg kunnen verzetten, een zee kunnen verleggen. Ik moet vooruit. Steeds verder. Het maakt niet uit waar naartoe; de weg zelf is waar het om gaat; dat je in beweging bent. Stilstand is het begin van het einde. De wetenschap heeft het aangetoond: alle materie, ook het menselijk lichaam, bestaat in essentie uit bewegende deeltjes: elektronen, protonen, neutronen, die constant apekooi spelen in ons lichaam. Zelfs een steen is in beweging. De gebouwen waar ik op neerkijk, de stad, alles is een en al beweging. Als je het zo bekijkt is alles te bedwingen, elke hindernis te overwinnen; het is gewoon een kwestie van op de juiste manier meebewegen. Je moet het leren zien, je moet je angsten opzij zetten, buiten de bestaande kaders durven denken. Dan is niets onmogelijk en kun je de werkelijkheid buigen.
Ik sta in een lange traditie: Mozes, Boedha, Jezus, Neo, de Yamakasi. Alleen, wat ik doe is niet bovennatuurlijk, er komt geen trucage of magie bij kijken. Wat ik doe is pure topsport. Altijd moet je scherp blijven, berekenen, inschatten, overzicht houden, vooruit denken. Discipline, zelfbeheersing, kennis, inzicht, oefening en geduld; dat is waar het om gaat. Nooit een onbezonnen actie, een ondoordachte beweging, een te gewaagde sprong. Geen overmoed, geen geldingsdrang, geen competitie. Het gaat om het plezier van het doen, de ervaring dat je de perfecte beheersing hebt over jezelf en je omgeving, het gevoel van absolute eenheid.

Ik neem een muurtje via een catleap en schrik: de rand, een gap, dat had ik niet gezien! Ik kan nog net op tijd stoppen en sta als versteend aan de rand; het dak van het belendende pand ligt plotseling zo’n drie meter lager. Terwijl de anderen over een richel langs mijn gezichtsveld voorbij flitsen gaan mijn gedachten onwillekeurig terug naar een zelfde moment in een andere tijd. Ik weet het nog goed, die dag dat we aan het spelen waren op de bouwplaats van het nieuwe streekziekenhuis. Zoals altijd bleef ik achter op de rest. Voor hen was het bouwterrein slechts een spannender versie van apekooi. Ik voelde me ellendig dat ik ze niet bij kon houden, maar had ook geen zin in meewarige blikken. Daarom riep ik niet en raakte zo aardig achterop. Op een bepaald moment hoorde ik hen helemaal niet meer. Ik wist niet waar ik me in het gebouw bevond of welke kant ik op moest. Ik leunde tegen een muur om uit te hijgen. Het onheilspellende zwijgen van het lege ziekenhuis deed me huiveren. Ik nam een vreemde prikkeling waar in mijn onderrug. Plotseling hoorde ik in de verte sirenes. Het kwam dichterbij. Heel dichtbij. Een auto stopte aan de rand van het terrein, ik hoorde deuren klappen, hondengeblaf. Iemand moet de politie hebben gebeld. Waar zijn de anderen? Het zweet parelde op m’n voorhoofd, mijn hart klopte als een bezetene buiten mijn lichaam, ik stond als aan de grond genageld. Wat moest ik doen? Snelle voetstappen. Trippende hondenpoten. Het geluid naderde snel. Ik kwam in beweging, rende als een idioot over de verdieping heen en weer, ging een gang in, het galmende geluid van een heel politiekorps achter me aan. De gang liep dood. Ik stond stil voor een gapend gat waar de trap moest komen, misschien volgende week, misschien morgen, maar nu was `ie er in elk geval nog niet. Drie meter lager lag de betonvloer die mij naar de vrijheid zou leiden. De vloer waarop ik stond begon te golven, de rand kwam omhoog, werd een onoverbrugbare grens; de angst steeg op vanuit mijn tenen, vervulde mijn hele lichaam. Achter mij hoorde ik de vijand naderen, elk moment konden ze de hoek om komen en dan was ik verloren. Het onmogelijke gebeurde: ik sprong. Ik sprong, en ik stortte ter aarde. Het was niet de meest spectaculaire sprong die ik zou maken. Maar het was de eerste, de meest fundamentele. Het kostte me een paar weken gips, een paar maanden revalidatie en een forse uitbrander van de kinderrechter, maar dat hinderde allemaal niet. Er was iets onomkeerbaars gebeurd: ik was de grens overgegaan, ik had mijn angst eronder gekregen, ik had mezelf overwonnen, mijn lot veranderd.

Terwijl ik langzaam weer tot mijn zinnen kom merk ik dat de onbekende runner naast me is komen staan. De manier waarop hij naar me kijkt, die blik in zijn ogen. Ik weet het ineens weer. Dit kan niet waar zijn.
“Robby? Rob Bilderdijk?”
“Inderdaad, en volgens mij ben jij Kevin. Ik dacht het wel. Kev zonder lef, haha!”.
“Ja, leuk hoor, die tijd hebben we toch zeker wel gehad, niet. Wat doe jij hier?”
“Ik heb altijd al van apekooi gehouden, zoals je je vast nog wel kunt herinneren. Maar we zijn nu te oud voor kinderspelletjes hè, daarom moeten we het wat groter aanpakken. Ik heb een tijdje aan bergbeklimmen en abseilen gedaan, later snowboarden, maar dat werd me allemaal te saai, nu probeer ik dit. Ik moet zeggen, het is wel kicken om zonder hulpmiddelen en zonder zekering bezig te zijn. Het gevaar windt me op, het idee dat als je net iets te ver gaat, net even niet oplet, het je dood kan betekenen. Bovendien voel ik me lekker zo, een vleermuis die over de daken van de burgerlijke klasse vliegt. Grappig hè, al die burgermannetjes die nu samen met hun huisvrouwtjes de kinderen op bed aan het leggen zijn en zich afvragen waarom sinterklaas toch elk jaar weer eerder komt. Vindt je ook niet?”
Ik voel een afkeer van deze man in me opborrelen. Het is een mengeling van de herboren haat en angst uit mijn kindertijd en de meer fundamentele walging tegen het soort oppervlakkig nihilisme dat deze man ten toon spreidt. De rest is al ver vooruit, het wordt tijd om weer te gaan.
“Zullen we maar?”

We vliegen weer. Ik merk dat ik hem maar met moeite bij kan houden. Zijn bewegingen zijn niet zo elegant, het is meer Parcour wat hij doet, maar wel krachtig en zelfverzekerd. Ik kan me toch niet op de kop laten zitten door zo’n boer? Ik zal hem laten zien wat ik in huis heb. Laat hij niet denken dat ik nog bang voor hem ben. Ik por mezelf nog wat meer op, en loop weer op hem in. Ik neem het volgende muurtje met een superman frontflip, waardoor ik een armlengte voor kom te liggen.
“Fraai, hoor”, bijt Robby me toe, “jullie Freerunning homo’s behandelen de sport alsof het ballet is. Maar als het erop aankomt, loop ik jullie er allemaal uit”.
Oh, dus dat is het, competitie. Hij voelt zich beter omdat hij een Traceur is. Past ook wel bij hem, die brute kracht, hij gaat volledig voorbij aan het esthetische aspect. En dat niet alleen, hij volgt de code niet, en daardoor verlaagt hij de sport tot het niveau van een ordinaire strijd. Nou, voor deze ene keer kan hij z’n competitie krijgen. Ik weet dat ik genoeg in me heb om hem de loef af te steken. Vanavond zal ik voor eens en voor altijd met mijn verleden afrekenen. Daar komt weer een flinke gap, ik duik naar voren en breek mijn val door een roll te maken. Hij zit me nog steeds op de hielen. We gaan tussen twee muren door, hij loopt tegen de rechter op terwijl ik de linker neem. Als we de grond weer raken botst hij opzettelijk tegen me aan, waardoor ik bijna val.
“Hé homo, je moet wel opletten, blijf op je eigen helft”.
“Doe ik ook, het komt door jouw lompe bewegingen man, je zou nog wat kunnen leren van Foucan”.
“Ik veracht hem, die boeddhistische flikker; wat jullie doen is een slap aftreksel van Parcour, wist je dat de sport is ontstaan tijdens de Vietnamoorlog? Het is een overlevingstactiek, geen dansvoorstelling!”
We naderen de hoek van het blok, de anderen zijn hier naar links afgeslagen.
“Zie je die gap, Kev?”
Nee hè, hij zou toch niet… De straat is vrij smal, het gebouw aan de overkant is iets lager, ongeveer vijf meter ertussen, schat ik, misschien kan ik het halen, maar ik mag het risico niet nemen, te gevaarlijk. Ik heb geen tijd om na te denken. Robby grijnst me van opzij toe, ik mag me niet laten kennen. De rand komt snel dichterbij, nog een paar meter en ik kan niet meer stoppen. Als ik twijfel gaat het mis. Er komt een waas voor mijn ogen, ik kan niet meer denken. Ergens achter in mijn bewustzijn hoor ik iemand roepen: “Kev, nee!”. Het volgende moment staat de tijd stil.

Als ik mijn ogen weer opendoe, sta ik te trillen op de dakrand. Ik voel een hand op mijn schouder. Iemand trekt me naar achter. Het is Wu. De ondergaande zon werpt een rode gloed over de daken. Een vogel doorkruist de lucht. Het is stil in mijn hoofd. Doodstil.

© Pieter M. Tuin – augustus 2008

maandag 25 augustus 2008

het Duivenvrouwtje van Rotterdam (kort verhaal)

Terwijl de kantoorslaven zich afbeulen om hun hypotheek en de schaamte te dragen en de consumptieverslaafden als mieren door de koopgoot krioelen gaat het oude vrouwtje de Albert-Heijn op de lijnbaan binnen om van haar schamele pensioentje een halve liter magere melk, een halfje casinobruin, een netje Jonagold en een pak Euroshopper-zilvervliesrijst te kopen. Niemand weet wie het vrouwtje is. En toch: iedereen kent haar. Elke maandag, woensdag en vrijdag komt ze hier om half vijf aangeslenterd met haar lange grijze regenjas, verwaarloosde kapsel en geruite boodschappentas op wieltjes. Als ze heeft afgerekend bij de kassa, het duurt even voor ze het benodigde kleingeld uit de diepte van haar jaszak heeft opgevist en zorgvuldig uitgeteld, stopt ze de paar boodschappen in de trolley, doet de rits van het deksel zorgvuldig dicht en slentert de lijnbaan weer op.
Vanuit de lucht gezien valt ze nauwelijks op, is ze een grijze vlek die zich langzaam tussen de andere vlekken door beweegt. Of nee, er is toch een verschil: waar de andere vlekjes schijnbaar zonder bestemming door elkaar heen krioelen van de ene winkelruit naar het andere snackloket, gaat zij in een rechte lijn op haar doel af. Ze is als een schim die zich onafhankelijk beweegt van de anderen, door niemand wordt opgemerkt, geen raakvlak heeft met de mensen.
Rond de klok van vijf komt ze aan op de Coolsingel, naast de Slegte, tegenover het stadhuis. Er komt net een kudde goedgeklede mensen de trap van het raadshuis af, een witte limousine komt voorgereden. Weer beloven twee mensen elkaar voor eeuwig trouw, terwijl tegelijkertijd een paar deuren verder politieke beloftes als porselein gebroken worden. Maar het vrouwtje heeft geen oog voor dat alles. Door haar kromme rug hoeft ze zich niet ver voorover te buigen om de trolly open te ritsen en de zak met Euroshopper-rijst eruit te vissen.
Geritsel komt van boven door het bladerdek van de platanen naar beneden; een paar duiven strijken neer op het trottoir. De vogels weten precies hoe laat het is. Deuren van kapitale gebouwen slaan open en daar komen de slaven: boordjes worden losgeknoopt, jasjes over schouders gegooid; bevrijd voor zestien kostbare uren die voor het merendeel voorbij zullen vliegen zonder betekenis te krijgen. Het vrouwtje scheurt de zak open en strooit wat zilvervliesrijst op de tegels. Rijst is gezond voor de duiven, weet ze, net als maïs of gierst; het bevat mineralen en allerlei noodzakelijke bouwstoffen. Er moet wat tegenoverstaan, tegenover de vette patatten van Bram Ladage, en de hamburgerrestjes van McDonalds.
Zou het vrouwtje weten dat aan het begin van de vorige eeuw, lang voordat Bram Ladage en McDonalds een begrip werden, Petronella Hoendert, weduwe van Middelhoven, precies hetzelfde deed als zij? Voor de Laurenskerk voedde zij iedere dag de duiven van haar schamele weduwepensioen. Ze had het gevoel dat God dit van haar vroeg. Tegelijk was het een aanklacht tegen die duivelse kerk waar ze geen dubbeltje meer voor over had. Na haar dood nam een andere weduwe haar taak over, daarna weer een ander, daarna weer.
Ze zijn niet meer zo mooi als vroeger, de duiven, toen ze nog gladde en glanzende vleugels hadden; de meeste zijn dof en groezelig geworden en veel te dik. Hun patrones kijkt met ontroerde ogen toe, terwijl steeds meer van haar vriendjes neerstrijken op de stoep voor haar voeten. Ze strooit af en toe wat meer rijst en blijft kijken, minutenlang. Als er ineens twee verveelde tieners dwars door de duiventroep heen lopen en een stuk of dertig duiven met groot geraas opstijgen, kijkt ze even verstoord op, maar schudt dan haar hoofd en richt zich weer op de vogels.
Al gauw is de hele stoep bezaaid met duiven die een soort natuurlijke buffer vormen tussen het vrouwtje en de anderen. Ze zijn haar bodyguards, haar groupies. Het grijze vrouwtje verandert door hun aanwezigheid in een ster, een koningin, een godin. Ze is het hart van de stad. Ze is de beschermheilige van de stadsduiven. Ze is het Duivenvrouwtje van Rotterdam.


© Pieter M. Tuin – september 2008

maandag 2 juni 2008

oorlog en vrede

de wereld zucht en is
moe, moe
van de tweestrijd
die het kwaad zelf is
het breken van spiegels
maakt ons weer blind
als in de grot, tot we nog
slechts schaduwen zien

als het aan ons ligt
bevuilen we ons eigen nest
nee, we blazen het op
met onze export-idealen

als het aan ons ligt
gaan we door tot er niets meer rest
het gelijk aan onze kant
maar geen oor meer voor verhalen

als het aan ons ligt
zal er niemand meer zijn
als straks degene komt
die de vrede kan betalen

peTer, juni 2008

donderdag 29 mei 2008

creed

since my childhood i have heard:
"the entire creation groans
for liberation", i hear echoes of it
in the narcistic lives
of popular idols, singers, moviestars,
in the headlines of the papers, the televisionshows

but in the so-called holy places,
patience and silence sits selfsufficiantly;
rocks cry out while prophets speak
no meaning, no hope, no life;
they offer good news instead of bread,
conserving in ruins the ways of the dead

where are the radicals?!
those who speak and act as well,
the sons of men who rise again;
they carry the light and live for right;
forerun the just and graceful king

out of the liberal and orthodox
emerge a new generation
of active believers, of ordinary radicals,
rooted in love,
rooted in the mess we made of this world,
rooted in tradition
(but not in the traditional meaning of the word);
not looking back in romantic ignorance,
but looking forward with ancient eyes

the truth doesn't work anymore;
it's a person, a life, not a system of power and control;
it's a whisper of grace, including all
in redemption and love;
transforming fragmented images
into a work of art,
in worship to GOD

peTer, mei 2008

zaterdag 10 mei 2008

feeling@home on the road

me opening my heart precedes
the community we could share
through hostile waters i was brought here
to rest with you in words of peace

sad shadows of departing already fall
i wish i could stay a little more
but i know i'll have to move on
to follow the sound of a higher call

here at crossroads we depart
i entrust you to our Father's heart
`till the day that you, though differently,
start to walk the same path

peTer, mei 2008

maandag 5 mei 2008

the other kingdom

while darkness fell over Europe
the seed of a new kingdom was born
under the ground, where the spring slept in wintercloth,
dreams emerged of liberty, justice and restoration

quietly, in shadows they grew;
an underground network passed,
almost by some hidden hand,
the misfits and outcasts down the line

closer to freedom
closer to a better future
closer to the other kingdom
closer to home

peTer, 5 mei 2008

zondag 4 mei 2008

heilig duister

steeds donkerder wordt het licht;
als een dwaallicht
leidt mijn geliefde mij
steeds dieper in het heilig duister;
ik probeer het gezicht dat aan mij verschijnt
te pakken, maar dan verdwijnt het weer,
om even later opnieuw te verschijnen,
als een mysterie, anders, verderweg;
ik zet weer een stap,
weer een stap verder
van de dag naar de nacht,
weer een stap dieper
de duisternis in,
weer een stap dichter
bij het licht.

peTer, mei 2008
(met dank aan Bruce Cockburn en Gregorius van Nyssa)

vrijdag 2 mei 2008

idylle

1.
het vlakke land dat ik overzie;
hollands licht, winterse kou;
strak lijnenspel van diepe voren,
jaar in jaar uit
door de traag voortgaande tijd getrokken
in oude aarde, trouwe akkers;
het ritme der seizoenen
voorspelt hier de loop der dagen.

2.
het wit en rood in mijn ooghoeken
blijken nieuwe daken, gepleisterde muren
van nieuwbouw, strak in `t gelid;
vermoeide stadsbewoners
komen een ander leven zoeken,
luiden het begin van het einde:
straks zal ook hier
alles anders zijn.

peTer - april 2008

donderdag 20 maart 2008

vasthouden - 160je

Kon ik `t geluk
maar altijd
vasthouden,
zoals een vader
z’n pasgeboren
kind, zoals een
paard geleid
wordt aan het
bit, zoals de zon
die eeuwig ons
pad verlicht.

peTer, mrt 2008 (wat is een 160je?)

zondag 2 maart 2008

moeder

zij ziet mij aan
omgeeft mij, wijst naar
de wereld, ik dans
haar vinger achterna

zij houdt mij vast
bemoedert, begrijpt mij
niet, ik breek mij los
de wereld achterna

ik kijk naar haar
ondersteun, wijs naar
buiten, haar ogen
staren alleen nog maar


peTer, mrt 2008
(n.a.v. een dansvoorstelling)

dinsdag 5 februari 2008

....................................................... apocalyps

op de laatste adem van beschaving, in-
terend op bloed zweet en tranen
van ooit moeizaam verbeelde verworvenheden;
aan dronken tafels, volgevreten, zwijgend geweten,
laten wij ons voortdrijven
door velden van vergeten.
vette koeien, vette aren;
geen verleden, geen verhalen;
en niemand die nog dromen kan verklaren

peTer, febr. 2008

woensdag 30 januari 2008

woorden

woorden
voorzichtige woorden
liefkozende woorden
woorden worden liefde
worden vloeibaar
baren baby
maanden later

woorden
onachtzame woorden
vernietigende woorden
woorden worden speren
worden wonden
baren onheil
jaren later

woorden
aarzelende woorden
bemoedigende woorden
woorden worden leven
worden huizen
om in te wonen
en nooit meer te verlaten

woorden
valse woorden
betoverende woorden
woorden maken slaven
worden GIF Gif gifffff
leggen strikken
delven graven

woorden
mooie woorden
troostende woorden
woorden scheppen beelden
schilderen kleuren
waar levens eindigen
woorden weer worden

peTer, jan 2008

insomnie

je werd niet wakker
had geen oog dichtgedaan
wilde weten wanneer
de dag beginnen zou
hebt het gemist
toen je net even
voor een korte tijd
je aandacht liet verslappen
toch nog verslapen

peTer, jan 2008

vrijdag 25 januari 2008

oud nieuws

oud nieuws,
weggegrist uit groene bakken,
gretig gelezen, snel vergeten,
achteloos achtergelaten
in straten,
waait op wind
van alle tijden
mij voorbij

peTer, jan 2008

donderdag 10 januari 2008

erfenis

als ik met mijn huidige ogen
naar jouw kwetsbare kleinheid kijk
zie ik wie je zou kunnen worden
ondanks, of eventueel dankzij misschien,
de etsgroeven die nu
door mij op je ziel worden geschetst

en dat ik pas dan
zal beseffen
hoe ik onbedoeld
door jou zal zijn begrepen

peTer, jan 2008

woensdag 9 januari 2008

(popliedje)

lippen bewijzen moderne mammon dienst
onverhulde ogen spreken steevast tegen
maken mooie woorden lege hulzen

peTer, jan 2008

dinsdag 8 januari 2008

de brug

maandagochtend voor dag en dauw
het deinende water aan mijn voeten
kabbelt in eindeloze kadans
op de kade ligt een dode vis
(finale noodsprong werd haar vermoedelijk fataal)

hoog in de lucht vliegt een buizerd of valk
in de verte kruipt in de ochtendspits een
veelkleurige blikken slang aan mijn ooghoeken voorbij
een djellaba flitst achter mij langs op een fuchsia-rose MTB

vanuit drie windrichtingen komen de Mohammedanen
uit hun gebedshuizen en wurmen zich over de brug
tot in alle hoeken en gaten van de stad
dagelijks terugkerend ritueel dat het ritme van de dag bepaald,
islamiet of niet

ik denk vijftig jaar terug en zie de bevindelijk-gereformeerden
in hun lange bijbelzwarte mantels
op zondagochtend en -middag en -avond
over dezelfde brug schrijden

mijn ogen glijden opnieuw over het zwijgzame water
het is anders, en toch ook niet
de tijd verandert niets
er is slechts
een ander
perspectief

peTer, apr 2006

maandag 7 januari 2008

vluchtige tijd

de jaren vliegen voorbij, zegt men
je moet een bepaalde leeftijd hebben bereikt
om dat te kunnen zeggen
toen ik jong was leek alles een eeuwigheid te duren
nu vliegen de seizoenen voorbij
als plastic zakjes op een najaarsstorm

hoe lang duurt een jaar?
wat maakt het lang of kort, leeg of vol?
is het wat ik doe, of hoe?
maakt het uit met wie en waar?
versnelt de tijd omdat, naarmate zij verstrijkt,
we dichter bij het einde komen?

ik ken geen angst om dood te gaan
slechts de angst om niet genoeg te hebben geleefd
het is de angst voor onvoldoende, onaf, niet goed genoeg
waarmee ik mezelf opsluit in apathie
ontbreekt het mij aan moed,
de moed om mijn tijd vol te maken?

peTer, jan 2008

zaterdag 29 december 2007

onderonsje

armzalige zielen vieren voor het trouw publiek
met holle lachen hun gedeeld succes
als dolle dansers in een dwaas ballet
tuimelen trotse one-liners en scherpe schets
over kek geklets van knappe koppen
terwijl een ingehuurde zot met zijn botte spot
de broodnodige relativering biedt

iedere avond brengen virtuele ogen
via digitale wegen dit bruisend gebeuren
in onze huiselijke kringen
om de stilte te maskeren
kijken wij naar buiten
om niet naar binnen te hoeven keren
en doden de tijd
zonder wonden te helen

peTer, dec 2007

vrijdag 28 december 2007

onze jaartelling

onze jaartelling begon op de dag
dat onze ogen elkaar ontmoetten
en een bron ontsprong waar onze harten samensmolten
onze tijd begon te stromen toen wij hand in hand
wegliepen van de bron

de tijd werd breder na verloop
tot een rivier van ongedane zaken
die ooit geliefden weer tot vreemdelingen dreef
waar eerst zwijgen slechts een keuze was
werd later zelfs elkaars schreeuwen niet meer opgemerkt

tot het moment waarop
nog slechts met gevaar voor eigen leven
een van beiden de schijnbaar onoverbrugbare monding
van het begin van het einde had kunnen overbruggen
de tijd en alle wonden trotserend
nog slechts gericht op het bereiken van de ander

maar het was te laat

nu is er alleen nog maar de eindeloze zee
van onmacht, spijt en had ik maar eerder
de tijd gaat op in
een eeuwigheid
alleen

peTer, dec 2007

zondag 25 november 2007

amsterdam

de nacht is zwanger van melancholie
tranen biggelen aarzelend uit de hemel
doordrenken beetje bij beetje de aarde
tot zelfs de laatste steen,
het laatste dorre hoekje van een verlaten steeg
als het ware besprenkeld is met haar troost

in deze maanloze nacht
bij het licht van een enkele straatlantaarn
is iedere druppel een vonk, een sprankje kosmisch licht

ik kijk uit het raam van mijn hotelkamer
beneden sluiten twee mannen een schimmige deal
verderop onderhandelt een zakenman met een jonge vrouw,
tot zij, met een achteloos gebaar,
wegbeent: TIK, Tik, tik … het geluid van naaldhakken
sterft tegelijk met haar gestalte weg
in de stilte van de nacht
daarna: het geronk van een auto
in de verte dronkemansgelal
kattegejank
en dan weer niets

langs de rand van de stad
schuift een late trein als een lichtslang voorbij
aan grauwe gevels beschijnen eeuwige lampen
blote billboards met gephotoshopte godinnen van de luie lust
achter verschillende ramen
het rusteloos geflikker van solitaire tv’s
slapeloze zielen vullen zich met loos vermaak
de stad slaapt niet,
zij toont slechts haar andere gezicht

de hemel huilt nu harder haar vrede-vocht
maar de aarde is gevoelloos
lijkt haar liefde niet te aanvaarden
de verdoemden dolen dwaas door duistere stegen
blinde ogen zoeken blinde ogen
om te verdrinken in vergetelheid…

ik sta op en sluit het raam
in de verte daalt de hemel
en waar het de aarde raakt
wordt een lijn van licht geboren
weldra zal de wereld zich wassen
in een zee van licht
en begint de dag,
een nieuwe dag

peTer, nov 2007

zaterdag 24 november 2007

metro

verschillende vermoeide gezichten
identiek in afwezige blikken
opeengepakt hun versleten omhulsels
tussen werelden
zij zijn niet werkelijk daar
niet werkelijk mens

peTer, nov 2007

vrijdag 23 november 2007

eenzaamheid

het meisje dat, zwijgend aan de zijkant zittend,
op het feest door niemand wordt gezien

de man die zijn gezin ontvlucht
omdat hij, thuisgekomen, de rust niet vindt

het echtpaar van middelbare leeftijd
zwijgend aan een tafeltje in een goed restaurant

eenzaamheid heeft niets met alleen zijn van doen

peTer, nov 2007

donderdag 22 november 2007

ijdelheid

de bodem bereikt
de top gehaald
jaren verloren
altijd gewonnen
levens geofferd
niets om voor te sterven

alles hebben, alles kunnen krijgen,
maar niemand om mee te delen

altijd onderweg
nergens geworteld
niemand
thuis

peTer, nov 2007

woensdag 21 november 2007

wit 2

het smetteloos wit,
als gepleisterde graven,
moet schuld en schaamte doen vergeten;
maar vergeten kunnen we nooit,
wel (zwijgend) verder gaan

peTer, nov 2007

dinsdag 20 november 2007

wit 1

de kleur van de angst is niet zwart of rood, maar wit

als het doek zonder beeld
dat staart, verlamt

als het lege computerscherm,
oorverdovend stil

als een pasgeboren kind;
blanke huid, blanke ziel

na het eerste begin
geen weg meer terug
slechts oorzaak en gevolg
bepalen nog de weg

de kleur van de angst is niet zwart of rood, maar wit

peTer, nov 2007

maandag 19 november 2007

desillusie

een droom sterft
en met de droom sterft iets in mij

een droom sterft
wat moet ik nu?

geen reden meer om te leven, maar ook
niets om voor te sterven

er is nog slechts wachten
wachten tot een nieuwe droom mij vindt
of de dood...

peTer, nov 2007

zondag 18 november 2007

klein

een klein gebaar
een woord, een blik
kan doden tot leven wekken
balsemt de ziel

een weinig licht
een straal, een vonk
en het donker is niet meer
bevrijdt de ziel

peTer, nov 2007